Fonds Leren en Ontwikkelen Wooncorporaties

Defensiebeleid (Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid) - Flow Kenniscentrum

Flow Kenniscentrum
logo Flow Euro Portal

bij Defensiebeleid (Gemeenschappelijk ...

Europese militairen in uniform met geweren
Bron: European Defence Agency - flickr

De Europese Unie is al enkele decennia bezig om een samenhangend Europees defensiebeleid op te stellen. Vroeger ging het bij defensie in Europa vooral om de verdediging van het eigen land tegen een aanvaller. Dit veranderde sinds het einde van de Koude Oorlog. Tegenwoordig zijn militaire operaties vaker bedoeld om vrede te bewaren, of om te helpen bij de opbouw van een land dat is verwoest door een oorlog of door interne conflicten. Door deze veranderingen is het defensiebeleid in Europa steeds in ontwikkeling.

De Europese Unie heeft geen gemeenschappelijk leger. De militaire verdediging van veel lidstaten van de Europese Unie en enkele kandidaat-lidstaten wordt, behalve door hun eigen nationale leger, gegarandeerd door de Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO). De laatste jaren gaan er geluiden op dat er een defensiemacht onder commando van de EU moet komen. De EU-leiders schaarden zich in december 2016 achter het voorstel van de Europese Commissie om een Europees defensiefonds op te richten. Op de Europese top van 22 juni 2017 gaven de EU-leiders unaniem groen licht voor meer systematische samenwerking op defensiegebied.

Ondanks deze geluiden is er geen overeenstemming bereikt over een Europese defensiemacht. De lidstaten kwamen de afgelopen jaren wel overeen dat er meer samengewerkt moet worden op het gebied van defensie-innovatie, zoals de bouw van drones en bij de ontwikkeling van systemen die cybercriminaliteit kunnen voorkomen.

Inhoud

  1. In vogelvlucht
  2. Wie doet wat
  3. Meer informatie

1.

In vogelvlucht

Ontwikkeling van het defensiebeleid

De basis voor het huidige defensiebeleid van de Europese Unie ligt in de periode na de Tweede Wereldoorlog. In 1952 werd getracht een Europese Defensiegemeenschap (EDG) op richten. Dit mislukte in 1954 door tegenstand in Frankrijk. Een jaar na de dood van Stalin leek het einde van de Koude Oorlog nabij en een Europees leger minder belangrijk.

In de jaren '80 groeide de behoefte aan een eigen Europees veiligheid- en defensiebeleid. Dit werd verder uitgewerkt in het Verdrag van Maastricht: daarin werd vastgelegd dat de EU bevoegd was op alle gebieden die de veiligheid van de EU betroffen.

De Europese Top van Keulen in juni 1999 markeerde het begin van het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB). Daar werd besloten de zogenaamde Petersbergtaken, die in 1992 opgesteld waren door de leden van de WEU, onderdeel te maken van het Europese defensiebeleid. Deze zijn vooral gericht op humanitaire operaties.

Tijdens de Kosovocrisis in 1999 bleek dat de EU wel eensgezind beleid kon maken, maar geen mogelijkheden had het militaire conflict tegen te houden. Hierop werd een initiatief door Groot-Brittannië en Frankrijk ingediend voor een Europese interventiemacht.

Het huidige defensiebeleid

Met het in werking treden van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 is het Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB) vervangen door het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB). De voornaamste vernieuwingen hiervan zijn dat het GVDB zich dient te richten op het geleidelijk tot stand brengen van een gemeenschappelijke Europese defensie.

Bij het Europese defensiebeleid speelt de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) een belangrijke rol als coördinator van alle externe betrekkingen van de EU.

Militaire samenwerking tussen lidstaten

Sinds 2007 heeft de Europese Unie 'Battlegroups' ingesteld. Dit zijn internationale interventieteams, die binnen tien dagen overal ter wereld ingezet moeten kunnen worden. Een gemiddelde 'Battlegroup' heeft een grootte van 1500-2000 soldaten.

De samenstelling van deze Battlegroups wisselt om het half jaar of jaar. Nederland heeft sinds 2007 regelmatig een bijdrage aan een Battlegroup geleverd. In de eerste helft van 2018 leidde Nederland een Battlegroup.

De taken waarvoor in Europees verband militairen worden ingezet zijn de volgende:

  • humanitaire en evacuatiemissies
  • missies met het oog op conflictpreventie en vredeshandhaving
  • crisisbeheersingsmissies van strijdkrachten
  • gezamenlijke ontwapeningsacties
  • advies en bijstand op militair gebied
  • stabiliseringoperaties na afloop van conflicten

Daarnaast tekenden enkele EU-landen, waaronder Nederland, eind 2007 een verdrag waardoor eenheden van de militaire politie uit die landen samen operaties kunnen uitvoeren. De eenheden zullen opereren onder de naam European Gendarmerie Force (EUROGENDFOR). De eerste missie vond van 2007 tot en met oktober 2010 plaats in Bosnië-Herzegovina.

Mission Support Platform

In april 2016 is door de Raad van de Europese Unie besloten om een Mission Support Platform (MSP) in het leven te roepen om het defensiebeleid sterker en effectiever te maken. Het MSP moet het bestuur van het defensiebeleid gaan verbeteren en voor de ontwikkeling en effectieve begeleiding van civiele crisisbeheersingsmissies gaan zorgen. De MSP zal worden gevestigd in coördinatie tussen de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden.

Bijstand bij aanval op grondgebied

Een lidstaat die wordt aangevallen mag een beroep doen op de andere lidstaten om hulp en bijstand te verlenen, zo staat het in artikel 42 lid 7 van het Verdrag Europese Unie. Er wordt niet gespecificeerd om wat voor soort hulp het dan gaat, wel wordt gesproken over 'met alle middelen waarover zij beschikken'.

Op 17 november 2015 deed Frankrijk, na de aanslagen in Parijs, als eerste lidstaat ooit een beroep op deze bepaling. De andere lidstaten steunden Frankrijk unaniem. Er is toen afgesproken dat Frankrijk op bilaterale basis met landen afspraken zou maken over hoe zij Frankrijk konden bijstaan. Volgens de Hoge Vertegenwoordiger faciliteert de EU, en leidt een beroep op deze bepaling niet automatisch tot een gezamenlijke Europese missie.

Defensiefonds

Bij defensie spelen sterke nationale belangen; veel lidstaten hebben een eigen defensie-industrie. De defensie-industrie valt buiten de regels van de interne markt. Om kosten te drukken en om de samenwerking tussen alle verschillende landen met hun systemen te vergemakkelijken wordt sinds 2007 er meer samengewerkt bij het ontwikkelen van nieuwe wapentechnologieën.

Op 30 november 2016 kwam de Europese Commissie met een plan voor een Europees defensiefonds. De Commissie wil met dit fonds lidstaten helpen om hun defensie-uitgaven doelmatiger te besteden en de veiligheid van de Europese burger te verhogen. Daarnaast is een belangrijk aspect van het voorstel het investeren in onderzoek naar en de ontwikkeling van defensiemateriaal. De EU-leiders hebben zich tijdens de Europese Raad van 15 december 2016 achter het voorstel van de Commissie geschaard. In 2018 is het plan formeel goedgekeurd door het Europees Parlement en de Raad van Ministers.

Het nieuwe defensiefonds zal bestaan uit twee onderdelen. Het eerste deel is gericht op de ondersteuning van onderzoek. In de periode van 2017 tot 2019 wordt daar 90 miljoen euro in geïnvesteerd. Het andere deel is gericht op de ontwikkeling van capaciteiten voor defensie. In de periode 2019-2020 is daarvoor 500 miljoen euro beschikbaar gesteld. Ook moet het programma ervoor zorgen dat er meer geld beschikbaar komt voor defensiesamenwerking, bijvoorbeeld voor PESCO.

Een Europese interventiemacht

In 2018 stelde Macron voor om een Europese interventiemacht op te zetten. Deze interventiemacht moet sneller kunnen reageren op bedreigingen van de Europese veiligheid, ook buiten de EU. Nederland, Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Portugal, Estland, België, en Denemarken hebben deelname toegezegd. Het initiatief van Macron gaat buiten de EU om.

NAVO

De Noord-Atlantische Verdrags Organisatie (NAVO) is sinds 1949 het belangrijkste bondgenootschap dat zorgt voor vrede en veiligheid in West-Europa. Het regelt de wederzijdse verdediging en samenwerking van de legers van de leden. Naast de Europese landen maken de Verenigde Staten, Canada en Turkije deel uit van de NAVO.

Sinds 1996 werd er gewerkt aan de ontwikkeling van een Europese pijler binnen de NAVO; de West-Europese Unie (WEU) zou deze rol moeten vervullen. Dit idee is echter nooit goed van de grond gekomen en omdat de taken van de WEU steeds verder werden geïntegreerd in de Europese Unie, is de WEU in 2011 ook volledig opgeheven. De NAVO blijft belangrijk voor militaire missies, omdat de samenwerking en kennis op EU-niveau nog sterk leunt op de kennis en samenwerkingsverbanden van de NAVO.

Vanaf 2003 beschikt de NAVO over een snelle reactie-eenheid (NATO Response Force) die wereldwijd inzetbaar is. Naar aanleiding van de Russische agressie tijdens de Oekraïne-crisis besloot de NAVO in september 2014, tijdens de top in Wales, tot het oprichten van een Very High Readiness Joint Task Force (VJTF) binnen de NRF. Deze troepen zouden de speerpunt moeten vormen en zo de rol van de NRF vergroten. Hiermee zou met name de verontruste bondgenoten in het oosten gerustgesteld moeten worden. Voor de testfase stelde Nederland ongeveer tweehonderd militairen ter beschikking.

Samenwerking met de EU

Het Eurokorps is een grote, permanente defensiemacht van zes Europese landen, waaronder Nederland, wat zowel binnen de samenwerking in de NAVO als in de Europese Unie een plek heeft. Het Eurokorps wordt vooral ingezet voor humanitaire en vredesoperaties, maar zal ook optreden omn het NAVO-grondgebied te verdedigen.

In 2016 is er besloten dat de EU op een aantal terreinen intensiever gaat samenwerken met de VS, Canada en Turkije in NAVO-verband. De samenwerking zal worden verdiept op het gebied van illegale immigratie, defensie, cyber veiligheid en onderzoek.

OVSE

De Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) probeert vooral door diplomatieke middelen conflicten te voorkomen of te beperken. Na een conflict biedt de OVSE hulp bij de (weder)opbouw van democratie en rechtsorde. Ook leidt de OVSE de onderhandelingen over ontwapening en wapenbeheersing.

Lees meer

Bron

Taal

Soort Informatie

NAVO

EN

Officiële homepage

OVSE

EN

Officiële homepage

Europese Unie

NL

Officiële homepage Raad van de Europese Unie

2.

Wie doet wat

Bij de besluitvorming op dit beleidsterrein spelen de Europese Commissie, de Raad, de Europese Raad en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid een rol.

Initiatief voor nieuw defensiebeleid: Raad

Voor voorstellen van algemene richtsnoeren geldt dat de Raad Buitenlandse Zaken deze opstelt. Als het thema binnen deze Raad specifiek gericht is op Defensiebeleid is de Vertegenwoordiger voor Nederland in deze Raad:

Initiatief voor nieuw defensiebeleid: lidstaat of Hoge vertegenwoordiger

Voor voorstellen voor de uitvoering van het defensiebeleid geldt dat een van de lidstaten van de Europese Unie of de Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid deze opstelt. De Hoge Vertegenwoordiger is:

Invloed nationale parlementen of defensiebeleid

Nationale parlementen van de lidstaten kunnen binnen acht weken nadat de Europese Commissie een voorstel heeft bekendgemaakt, laten weten dat de Europese Unie zich niet met het onderwerp zou moeten bezighouden.

Vanuit het Nederlandse parlement zijn bij dit beleidsterrein betrokken:

Besluitvorming door de Europese Raad over het defensiebeleid

Voor het vaststellen van algemene richtsnoeren geldt dat de Europese Raad besluit met eenparigheid van stemmen.

Vertegenwoordiger van Nederland in de Europese Raad is:

Mark Rutte (VVD), minister van Algemene Zaken

Besluitvorming door de Raad over het defensiebeleid

Voor voorstellen voor de inzet van missies of besluiten op specifieke onderwerpen geldt dat de Raad besluit met eenparigheid van stemmen.

Voor het Europees Parlement beoordeelt de subcommissie veiligheid en defensie de voorstellen van de Europese Commissie, Hoge vertegenwoordiger en Raad, en de eventuele aanvullingen van de Raad. Voor Nederland is de volgende Nederlandse Europarlementariër lid:

 

Lid/leden

Overeenstemming in de Raad van de Europese Unie sluit de procedure af. Als het voorstel door de Raad is goedgekeurd, zorgt de Nederlandse regering ervoor dat het voorstel nationaal wordt uitgevoerd.

3.

Meer informatie

Activiteitendossier

Betrokken instanties

Statistiek

Verenigde Naties

West-Europese Unie

Inhoud

  • Home
Geachte bezoeker,
De Stichting Fonds Leren en Ontwikkelen Wooncorporaties (FLOW) waardeert het dat u mee wilt doen aan onze enquête. De uitkomst van deze enquête wordt gebruikt om de website beter op uw wensen af te stemmen.
Het invullen van de vragenlijst duurt slechts enkele minuten.
Klik op Doorgaan voor het invullen van de enquête. Klik op Stoppen voor het verlaten van dit scherm.